waarden-nieuw

Onze waarden

Binnen Alive hebben we 5 waarden die samen onze cultuur als kerk en als organisatie bepalen. Je zou kunnen zeggen dat ze samen de persoonlijkheid van Alive vormen. Het zijn overtuigingen, normen, en houdingen die ons leiden in hoe we met elkaar omgaan en hoe we als kerk functioneren.

God en anderen eerst zetten is onze levensstijl.
Vanuit onze liefde voor God en onze medemens willen we God en anderen voorrang geven op onze eigen wensen, plannen en verlangens. Onze relatie met God krijgt de allereerste prioriteit. Alles wat we doen is vanuit Hem, door Hem, en voor Hem.
(Mattheüs 6:33; Mattheüs 22:36-40; Johannes 15:4-5; 1 Johannes 3:16; Filippenzen 2:3-4)

Bidden is onze eerste reactie.
Gebed is onze eerste reactie niet onze laatste toevlucht. We geloven dat gebed de motor is die het verschil maakt. Alles en iedereen wordt gedragen dankzij gebed. Gebed vormt de basis in onze relatie met God.
(1 Thessalonicenzen 5:17; Filippenzen 4:6; Jakobus. 4:2; Johannes 15:4-5; 2 Kronieken 7:14; Mattheüs 7:7-11; Jakobus. 5:13-18)

Vrijgevigheid is ons antwoord.
Geven en dienen is onze tweede natuur. We staan graag klaar voor elkaar en de maatschappij rondom ons. Het is ons antwoord op de liefde van God voor ons en de liefde van ons voor anderen.
(2 Korinthiërs 8:7; Handelingen 20:35; 1 Petrus 4:10; 2 Korinthiërs 9:6-11; 1 Timotheüs 6:18-19)

Eren is onze keuze.
Omdat God het beste gaf dat Hij had, eren we Hem door ook het beste van onszelf te geven. We eren diegenen boven ons, onder ons en rondom ons. We geloven dat wat het minste lijkt van onschatbare waarde is in Gods ogen.
(1 Korinthiërs 10:31;1 Petrus 2:17; 1 Thessalonicenzen 5:12-13; Romeinen 12:10; Romeinen 13:6-7; Efeziërs 5:33-6:1-9)

De hemel vullen is onze prioriteit.
Ons grootste verlangen is om door te geven wat we zelf ontvangen hebben. We geloven dat de kerk bestaat om mensen dichter bij God te brengen. Geloven stopt niet bij ons alleen. We zijn steeds op zoek naar die ene.
(Mattheüs 28:19; Marcus 16:15; Lucas 15:4-7; 1 Korinthiërs 10:33; Efeziërs 6:19)